Constant Craving – k.d. Lang

Constant Craving – k.d. Lang

Niet lang nadat ik tot geloof kwam, werd ik mij gewaar van een bijzonder verlangen. Een verlangen om door iets of iemand buitengewoon geliefd te worden en om zo lief te hebben. Een bijna onmenselijk verlangen naar nabijheid, om alles wat van God was gretig op te eten, om samen te smelten en in God op te gaan. Men zou dit psychologisch kunnen duiden, maar dit was voor mij duidelijk een ander soort verlangen.

Ik kreeg ineens heel veel liefde voor mensen waartegen ik nog vrij onverschillig stond; voor lijdende mensen die zich tot dan toe buiten mijn hart hadden bevonden, voor mensen die ver van mij af stonden omdat we zo enorm veel van elkaar verschilden en voor mensen waar ik voordien best afkerig van was.

Het leek wel alsof mijn hart grote gaten had gekregen waar liefde ineens, zonder zich wat van mij aan te trekken, vrijelijk in- en uitstroomde. Ik wist mij eigenlijk helemaal geen raad met deze rare nieuwe gesteldheid die mij leek over te nemen.

Dus daar zat mijn nuchtere ik ineens heel atypisch de liefde te verklaren en betonen aan mensen voor wie ik eerder niet veel voelde of voor mensen die ik net had leren kennen. Bijna als een ongeleid projectiel kwam ik op ze af gevlogen. Dat was veel te veel en te direct natuurlijk en was uiteraard voor niemand te doen. En ook kon mijn verlangen nooit door een mens bevredigd worden. Daarvoor was het te groot en te veel. Maar ik wist even niet anders dan dit op mensen te richten. Die waren immers 40 jaar lang alleen mijn enige richtpunt geweest. Dus wat nu? Wat moest ik met al dat nieuwe en al dat vele aanvangen?

Gelukkig stuitte ik op een boek van Christiaan Wiman, een dichter die schrijft over het brandende verlangen in iedere gelovige. “In iedere ware liefde voor een mens”, zegt hij, “is er een surplus aan energie dat altijd in beweging wil zijn. Sterker nog, zij lijkt niet alleen van de ene naar de andere persoon te bewegen, maar door hem of haar heen naar iets anders. Daarom kunnen we zo paf staan en overweldigd worden door zo’n liefde: zij wil meer zijn dan zij is. Zij schreeuwt in ons om er meer van te maken dan er is. En waar wij om schreeuwt is, in laatste instantie, haar essentie en oorsprong: God. Die liefde waar wij ons aan vast willen klampen, vraagt erom haar te laten gaan. Menselijke liefde kent een einde, in God, die haar oneindig maakt.”

k.d. Lang zingt over een constant verlangen dat nooit bevredigd wordt; een soort uitgehongerd verlangen. Er is “Iets dat dapper onder de huid wandelt” en blijft ver-langen, verlengen, naar dat wat buiten onszelf ligt. ‘Iemand die’ dat we de Heilige Geest in ons kunnen noemen en die via en door mensen heen, samen met God wil zijn.

Daarvan maken we gelukkig maar een snippertje mee. Want als we echt zouden ervaren hoeveel God in volle omvang van ons houdt, zouden we vast bezwijken. Liefde wil naar Liefde terugkeren. “A great magnet pulls”, zingt ze. Het surplus aan energie dat door ons te voelen is. Misschien is dat wel het ‘constant craving’ naar wat God allemaal voor ons in zich draagt. Het zou een hoop verklaren.

Foto: YouTube


Tynke van Schaik

Tynke van Schaik (1970) is een ‘verse speurneus in reliland’, op Twitter te volgen als: @Druifluisje of via haar website: Vindingenrijk

Share this post